Automatische verlenging VAR (verklaring arbeidsrelatie) vervalt

Met ingang van 2013 vervalt in de Wet inkomstenbelasting 2001 de mogelijkheid tot automatische verlenging van de verklaring arbeidsrelatie (VAR). Dit betekent feitelijk dat voor het kalenderjaar 2014 geen automatische verlenging van de eerder afgegeven verklaring arbeidsrelatie (VAR) meer zal plaatsvinden.

Voor de automatische verlenging van de VAR voor het kalenderjaar 2013 heeft de voorgestelde wijziging geen gevolgen.

Dezelfde VAR

Automatische verlenging van de VAR vindt nu plaats indien door de Belastingdienst aan een belastingplichtige voor drie achtereenvolgende jaren dezelfde VAR is afgegeven voor hetzelfde soort werkzaamheden, bijvoorbeeld drie jaar lang een VAR-winst uit onderneming of een VAR directeur-grootaandeelhouder. De werkzaamheden moeten ook onder overeenkomstige omstandigheden zijn verricht. In dat geval wordt de VAR vanaf het vierde opvolgende kalenderjaar automatisch verlengd.

Webmodule

Zonder aanpassing van de wet zou in het najaar van 2013 recht bestaan op verlenging van de VAR voor 2014. De afgifte van de VAR wordt door de Belastingdienst in de loop van 2013 echter vervangen door een webmodule waarmee direct een oordeel kan worden verkregen van de Belastingdienst over de kwalificatie van de arbeidsrelatie. Deze webmodule maakt integraal onderdeel uit van het Ondernemersplein van de Kamer van Koophandel. Inhoudelijke beoordeling van de arbeidsrelatie, die op dit moment nog achteraf door de Belastingdienst plaatsvindt, bijvoorbeeld bij een looncontrole, kan dan vooraf worden gedaan. Opdrachtgevers worden aansprakelijk voor de in de webmodule aangegeven feiten en omstandigheden, voor zover de opdrachtgever hier beslissende invloed op heeft. Het gaat dan om de afspraken die tussen opdrachtgever en opdrachtnemer zijn gemaakt en die van invloed zijn op de kwalificatie van de arbeidsrelatie, zoals de arbeidsvoorwaarden. Alleen als de werkzaamheden overeenkomstig deze feiten en omstandigheden worden verricht, bestaat geen risico op een naheffing loonheffingen voor de opdrachtgever.

Heeft u hier vragen over, neem dan contact op met Administratiekantoor ZZP.

Automatische concepten

De scholingsuitgaven voor een opleiding die ziet op de verbetering van de kwaliteit van het leven van de cursist is volgens de Hoge Raad niet aftrekbaar. De rechter wees erop dat de aftrek van scholingsuitgaven alleen is bedoeld voor opleidingen die bijdragen aan het verwerven of behouden van inkomen uit tegenwoordige arbeid.

 Fiscale faciliteiten voor scholing

Werkgevers zullen in economisch slechte tijden niet gauw geneigd zijn om hun geld uit te geven aan de scholing van hun werknemers. Er bestaan echter verschillende fiscale faciliteiten op het gebied van scholing. Denk hierbij aan de afdrachtvermindering voor onderwijs, het verstrekken of vergoeden van opleidingen en cursussen en de daarmee samenhangende verblijfs- en reiskosten. De werkgever kan deze kosten belastingvrij vergoeden of verstrekken. Dit kan zowel onder de werkkostenregeling (studiekosten zijn gericht vrijgesteld), als onder de overgangsregeling. Hier zijn wel enkele voorwaarden aan verbonden. De studiekosten mogen namelijk niet al door een ander zijn vergoed. Het moet bovendien gaan om een studie of opleiding die is gericht op het vervullen van een beroep in de toekomst of op het op peil houden van vakkennis. De werkgever moet de vergoeding hebben verstrekt of toegezegd vóór het einde van het jaar waarin de kosten worden gemaakt.

 Begrip scholing

(Bij)scholing biedt echter meer mogelijkheden en kansen op een baan. Wie op eigen initiatief een opleiding of studie volgt in het kader van zijn persoonlijke ontwikkeling, het op peil houden van zijn vakkennis of om zijn positie op de arbeidsmarkt te verbeteren, kan deze studiekosten in zijn IB-aangifte aftrekken. Dit geldt niet alleen voor de echte werknemers, maar in het geval van een eenmanszaak of vennootschap onder firma kan het ook om de ondernemer zelf gaan en de meewerkende partner. Het begrip ‘werknemer’ moet men in dit verband dus breed opvatten. Aangezien een directeur-grootaandeelhouder ook als werknemer kan kwalificeren, kan hij de scholingskosten die maakt ook in aftrek brengen. Ook voor een uitzendkracht die werkzaam is in de onderneming, maar in dienstbetrekking van het uitzendbureau kan de werkgever hiervan gebruik maken.

 Scholingsuitgaven

Aan de aftrek van de scholingsuitgaven zijn de volgende voorwaarden verbonden:

  • de studiekosten zijn gemaakt door de belastingplichtige zelf of door zijn fiscale partner;
  • de opleiding of studie was gericht op zijn of haar (toekomstige) beroep;
  • er was sprake van een leertraject. Bij een leertraject doet men kennis op onder begeleiding of toezicht;
  • de totale kosten minus eventuele vergoedingen waren hoger dan de drempel van € 500. Alle kosten boven de drempel zijn aftrekbaar;
  • maximaal € 15.000 aan studiekosten of andere scholingsuitgaven is aftrekbaar. Hierop bestaan wel een aantal uitzonderingen.

 Aftrekbare en niet-aftrekbare kosten

Voldoet men aan alle voorwaarden dan kan men in box 1 van de inkomstenbelasting het lesgeld, collegegeld of instellingscollegegeld, kosten voor studieboeken of vakliteratuur, kosten voor EVC-procedures en afschrijving van duurzame goederen die speciaal voor de studie of opleiding zijn aangeschaft, aftrekken. Niet-aftrekbare kosten zijn: de rente over studieschulden, kosten voor levensonderhoud, zoals huisvesting, voeding en kleding, reis- en verblijfkosten, kosten voor studiereizen of excursies en kosten voor (de inrichting van) een werk- of studeerruimte. Houd wel in de gaten dat studiekosten die ouders maken voor de studie van hun kind(eren) of die kinderen maken voor hun studie, niet aftrekbaar zijn. Voor de berekening van de aftrek voor scholingsuitgaven is het van belang of men wel of geen studiefinanciering ontving. Daarnaast speelt daarbij ook een rol of men wel of geen fiscale partner had in het jaar waarin de studiekosten zijn gemaakt.

 Geen of gedeeltelijke vergoeding? Aftrekpost voor werknemer

Als een werknemer de studiekosten niet van zijn werkgever vergoedt krijgt, kan de werknemer deze studiekosten dus aftrekken in zijn IB-aangifte als persoonsgebonden aftrek. Krijgt de werknemer slechts een deel van zijn kosten vergoed, dan moet hij deze vergoeding eerst van zijn uitgaven aftrekken voordat hij het aftrekbedrag berekent. Het nadeel hiervan is dat de werknemer te maken krijgt met een drempel van € 500 (in 2012 € 250). Bovendien ontvangt hij niet al zijn studiekosten terug, maar hij krijgt slechts (belasting over) een deel terug. Vergoedt de werkgever de studiekosten, dan drukken deze uitgaven niet op de werknemer. In dat geval kunnen de kosten dus niet voor de heffing van de IB bij hem in aftrek komen. Mocht een werknemer een eerder onbelaste studiekostenvergoeding terugbetalen dan mag hij dit bedrag in aanmerking nemen als scholingsuitgaven in het jaar van terugbetaling. Er is in dit geval immers geen sprake van negatief loon.

 Geen aftrek

Dat men niet zomaar kosten van een opleiding of cursus kan aftrekken blijkt uit een recente zaak bij de Hoge Raad. De Hoge Raad oordeelde in de zaak in kwestie dat de fiscus de aftrek van de studiekosten voor de opleiding ‘Sjamanisme en Transformatie’ aan de School voor Sjamanisme terecht had geweigerd. Een eclectisch psychotherapeut had in zijn aangifte IB 2003 namelijk € 1.745 aan scholingsuitgaven voor deze opleiding afgetrokken. Volgens de rechter had de belanghebbende echter niet aannemelijk dat hij deze opleiding had gevolgd met het oog op de verbetering van zijn financieel-economische positie of het op peil houden of verbeteren van kennis en vaardigheden voor het verwerven of behouden van inkomen uit tegenwoordige arbeid. Uit de omschrijving en de doelstelling van de opleiding leidde de rechter af dat het ging om een opleiding die vooral zag op de verbetering van de kwaliteit van het leven van de cursist. De cursist leert met deze opleiding om zijn eigen kracht, de krachten van de natuur en de krachten uit andere dimensies op een bewuste manier met alles wat bestond te verbinden en met respect te gebruiken. Nu het niet ging om een (aanvullende) beroepsopleiding had de belanghebbende dus ook geen recht op aftrek van deze studiekosten.

 Wet: artikel 6.27 IB Wet 2001

Meer informatie: Hoge Raad, 7 september 2012, LJN: BX6647 en Hof Leeuwarden 10 januari 2012 (gepubliceerd 12 januari 2012), LJN: BV0713

Voor meer informatie kunt u ook contact opnemen met Administratiekantoor ZZP.

Vaste kostenvergoedingen: specificatie en onderbouwing op orde ?

Een werkgever die zijn medewerkers een vaste kostenvergoeding verstrekt, moet aan meerdere fiscale verplichtingen voldoen. Als eerste moet de werkgever een specificatie hebben van de door hem verstrekte kostenvergoeding en wel naar aard en veronderstelde omvang van de kosten. Uit die specificatie moet blijken op welke kosten de vergoeding betrekking heeft én tot welke bedragen. Die specificatie moet aanwezig zijn vóórdat de werkgever de kostenvergoeding aan de werknemer verstrekt of uiterlijk op het tijdstip dat de vergoeding wordt uitbetaald. Ontbreekt zo’n specificatie, dan kan die niet meer achteraf worden opgesteld. De vaste kostenvergoeding is dan nettoloon. Voor de specificatie van de vaste kostenvergoeding kunt u de cao benutten. De Hoge Raad heeft dat duidelijk beslist. Als de kostenvergoeding voortvloeit uit een cao, en in die cao is vastgelegd voor welke kosten die vergoeding bedoeld is en tot welke bedragen, dan hoeft de werkgever daarnaast niet nog eens een afzonderlijke specificatie op te stellen. Met de specificatie in de cao is derhalve aan de specificatie-eis voldaan. De tweede eis is dat de werkgever – desgevraagd, door de inspecteur – een onderbouwing moet aanreiken waaruit blijkt dat de door hem verstrekte vaste kostenvergoeding niet bovenmatig is. Voor die onderbouwing – de kostentoets – kunt u niet rekenen op de cao. U moet aantonen dat in uw situatie, binnen de bedrijfsvoering in uw onderneming, die kostenvergoeding terecht is verstrekt. Dat de werknemers in uw bedrijf uitgaven hebben gehad voor de kostensoorten waarvoor u hen een vergoeding – tot het gemiddelde bedrag – heeft verstrekt. Voor zo’n steekproef gelden volop spelregels. De kostentoets moet regelmatig worden gehouden, eens per twee jaar. Meerdere werknemers per groep werknemers met gelijksoortige werkzaamheden én eenzelfde vaste kostenvergoeding moeten hun uitgaven vastleggen en met nota’s enzovoort onderbouwen gedurende een periode van een paar maanden. Is sprake van vaste, regelmatig terugkerende kosten, dan is een steekproef van twee á drie maanden redelijk. Bij sterk wisselende kosten zal de kostentoets over een langere periode moeten plaatsvinden. Bij vragen hierover kunt u contact opnemen met Administratiekantoor ZZP.

Auto van de zaak: verhaal boetes en schade

Heeft één van uw werknemers het afgelopen jaar tijdens werktijd met een auto van de zaak een verkeersovertreding begaan en daarvoor een boete gekregen? Als u die boete als werkgever hebt betaald – bijvoorbeeld omdat het kenteken van de auto op naam van de zaak staat – dan raadt Administratiekantoor ZZP aan dat u die boete alsnog verhaalt op de betreffende werknemer.

Doet u dat niet, dan kan de boete worden aangemerkt als een nettoloon-betaling. Dat kan u een forse naheffing kosten over de – gebruteerde – boete, inclusief verhoging en heffingsrente. Datzelfde geldt ook voor schade aan de auto die het gevolg is van onzorgvuldig gebruik van de auto door de werknemer.

De Hoge Raad heeft beslist dat een werkgever de verkeersboetes van een werknemer wegens te hard rijden altijd moet verhalen op het nettoloon van de werknemer. Ook bij snelheidsovertredingen van niet meer dan 10 kilometer!

Run op spaarloonrekening

Het aantal mensen dat nog snel een spaarloonrekening opent om te profiteren van het belastingvoordeel is de laatste weken explosief gestegen. Dat blijkt uit een rondgang bij de grote banken.

Bij de Rabobank openden 21.000 mensen een spaarloonrekening in de eerste 2 weken van november, tegen 1500 een jaar eerder. Bij ABN Amro schoot dit aantal omhoog naar ongeveer 10.000. ING kreeg er in de eerste week van november alleen al bijna 10.000 nieuwe klanten bij.

Volgens cijfers van het ministerie van Financiën hebben 120.000 mensen een nieuwe spaarloonrekening geopend sinds een oproep van FNV begin oktober om dat te doen. Dat is een groei van 6 procent, wat een extra kostenpost vormt voor de overheid van 20 miljoen euro. De kosten voor werkgevers liggen op iets minder dan 15 miljoen euro.

Woensdagavond ging de Tweede Kamer niet in op een aanbod van staatssecretaris Frans Weekers Financiën om de regeling per direct te stoppen. Weekers reageerde daarmee op het CDA dat zich grote zorgen maakte over de oplopende kosten voor de schatkist. Maar een ruime Kamermeerderheid wil de spaarloonregeling gewoon tot einde van dit jaar openhouden.

Mensen die meedoen met de regeling kunnen een belastingvoordeel tegemoet zien van 200 tot 300 euro. De huidige spaarloonregeling en levensloopregeling worden naar verwachting in 2013 ingeruild voor de zogeheten vitaliteitsregeling.